De Arabieren van de woestijn zeggen: Wij gelooven. Antwoord: Gij gelooft volstrekt niet, maar zeg: Wij hebben den Islam omhelsd; want het geloof is uwe harten nog niet binnengetreden. Indien gij God en zijn gezant gehoorzaamt, zal hij u van geen deel der verdienste uwer werken berooven; want God is vergevensgezind en barmhartig.
Tafseer
{ قالت الأعراب } نفر من بني أسد { آمنا } صدقنا بقلوبنا { قل } لهم { لم تؤمنوا ولكن قولوا أسلمنا } انقدنا ظاهرا { ولما } أي: لم { يدخل الإيمان في قلوبكم } إلى الآن لكنه يتوقع منكم { وإن تطيعوا الله ورسوله } بالإيمان وغيره { لا يَأْلِتْكُمْ } بالهمز وتركه وبإبداله ألفا: لا ينقصكم { من أعمالكم } أي من ثوابها { شيئا إن الله غفور } للمؤمنين { رحيم } بهم .
{De Bedoeïenen zeiden} een groep uit de stam van Asad {Wij hebben geloofd} Wij hebben in ons hart geloofd {Zeg} tegen hen {Jullie hebben niet geloofd, maar zeg: “Wij hebben ons onderworpen”} Wij hebben ons uiterlijk onderworpen {Want het geloof is nog niet in jullie harten doorgedrongen} dat wil zeggen, het is nog niet in jullie harten doorgedrongen, maar het wordt van jullie verwacht {En als jullie God en Zijn Boodschapper gehoorzamen} met geloof en andere dingen {zal Hij jullie niets ontnemen} met of zonder de hamza en met de vervanging ervan door een alif: Hij zal jullie niets ontnemen {van jullie daden} dat wil zeggen, van hun beloning {iets. Voorwaar, God is Vergevend} jegens de gelovigen {en Barmhartig} jegens hen.