Zij zijn zeker ongeloovigen, die zeggen: waarlijk, Christus, de zoon van Maria, is God, daar toch Christus zeide: O, kinderen Israëls! dient God, mijn Heer en de uwe; wie een ander naast God plaatst, zal door God van het paradijs uitgesloten worden, en het hellevuur zal zijne woning zijn; en de goddeloozen zullen niemand hebben, die hen helpt.
Tafseer
{ لقد كفر الذين قالوا إن الله هو المسيح ابن مريم } سبق مثله { وقال } لهم { المسيح يا بني إسرائيل اعبدوا الله ربي وربكم } فإني عبد ولست بإله { إنه من يشرك بالله } في العبادة غيره { فقد حرَّم الله عليه الجنة } منعه أن يدخلها { ومأواه النار وما للظالمين من } زائدة { أنصار } يمنعونهم من عذاب الله .
Zij die beweerden dat God de Messias is, de zoon van Maria, hebben zeker ongeloofd. Een soortgelijke uitspraak is gedaan. En de Messias zei tot hen: "O kinderen van Israël, aanbid God, mijn Heer en jullie Heer." Want Ik ben een dienaar en geen god. Want wie iets met God associeert in de aanbidding, voor hem heeft God het Paradijs verboden en hem de toegang daartoe ontzegd. Zijn verblijfplaats is het Vuur. En de onrechtvaardigen zullen geen helpers hebben om hen te beschermen tegen Gods straf.